Eerlijke Flex

////Wie goed doet...

SociaalWie goed doet...

Aukje Nautabijzonder hoogleraar, kroonlid SER en organisatieadviseur

Wie goed doet...

Onlangs hoorde ik de 24-jarige Sjir Hoeijmakers spreken op een congres. Sjir studeerde cum laude af als econometrist, een studie waarmee de vetbetaalde banen voor het oprapen liggen. Maar Sjir wil geen baan. Sjir wil ‘goeddoen’: een waarlijke bijdrage leveren aan de samenleving. Hij is gegrepen door het fenomeen basisinkomen. Niet dat hij per se vóór een basisinkomen is. Wel wil hij weten of het werkt, zo’n onvoorwaardelijk basisinkomen.

Zou het basisinkomen een vehikel kunnen zijn voor een betere samenleving? En dus kiest Sjir voor een onzeker bestaan als ‘ondernemend idealist’, zoals hij het zelf noemt. Via de crowd sprokkelde hij 12.500 euro bij elkaar. Daardoor kan hij nu twee jaar lang al zijn tijd spenderen aan zijn missie: zorgen dat we zoveel mogelijk (praktijk)kennis verzamelen over de effecten van een basisinkomen. Hij leeft nu al korte tijd zelf van zijn magere basisinkomen, dat hij via crowdfunding gerealiseerd heeft. In die tijd heeft hij artikelen over het basisinkomen in de krant geschreven, is hij meermaals op de radio geweest, geeft hij workshops, praat hij met leden van de Tweede Kamer en heeft hij richtlijnen voor gemeentelijke experimenten met het basisinkomen opgezet. Mede dankzij hem komt momenteel de ene na de andere gemeente over de brug met experimenten rondom het basisinkomen.  Binnenkort geeft hij online college over de kennis die hij opdoet over het basisinkomen. De colleges zijn voor iedereen te volgen. Op de website  dreamordonate.nl schrijft Sjir: ‘Nooit in mijn leven heb ik een betere keuze gemaakt. De afgelopen tijd heb ik ontzettend veel geleerd en genoten, maar vooral ook ontzettend veel voor elkaar gekregen voor het basisinkomen.’

De nieuwe norm van flexibel werken

Is Sjir nu een wel heel idealistische uitzondering, of vertegenwoordigt hij een nieuwe norm van flexibel werken? Een vraag waarop het antwoord alles behalve eenduidig is. Het enige tastbare feit is dat steeds meer (jonge) mensen als zelfstandige of flexibele arbeidskracht werken. Zo blijkt uit onderzoek van TNO en CBS dat  het aandeel werkenden met een flexibele arbeidsrelatie is toegenomen van 15 procent in 2004 tot 22 procent in 2014. Het aandeel zelfstandigen zonder personeel is in diezelfde periode toegenomen van 8 procent naar 12 procent. Maar of flexibel werken nu voor de meeste mensen een vrijwillige, idealistische keuze is, dan wel bittere noodzaak vanwege gebrek aan vaste banen, daarover tast het meeste onderzoek in het duister. Wel meldde de FNV onlangs dat 90 procent van de flexwerkers een vast contract wil, althans 90 procent van de duizend flexwerkers die de ‘gewoon-goed-werk-meter’ van de FNV hadden ingevuld – waarvan niet bekend is of deze groep representatief is voor Nederlandse flexwerkers. Los van de vraag of de meeste mensen vrijwillig of ‘gedwongen’ flexibel werken: Sjirs houding tegenover werk illustreert in elk geval iets nastrevenswaardigs. Geld, status en carrière zijn niet zozeer primaire drijfveren, maar de wil om goed te doen, te leren, en waardevol bij te dragen aan de samenleving. Een betere vraag is daarom hoe de samenleving, organisaties en werk zodanig zijn in te richten, dat we als vanzelf meer mensen zoals Sjir krijgen.

Prosociale waarde-oriëntatie

De meerderheid van mensen wereldwijd heeft – net als Sjir – de behoefte om van waarde te zijn voor anderen. Psychologen noemen dat ook wel een ‘prosociale waarde-oriëntatie’, ofwel de mate waarin iemand zorg heeft voor de wensen, belangen en uitkomsten van anderen. Uit onderzoek blijkt dat de meeste mensen (zo’n 60 procent) prosociaal zijn, terwijl veel minder mensen (30-40 procent) individualistisch zijn. Zij focussen vooral op eigen uitkomsten. Slechts een minderheid is louter competitief (5-10 procent).

Wederkerigheid

Hoe zouden arbeidsrelaties, met name flexibele arbeidsrelaties, eruit zien als het prosociale karakter van mensen optimaal tot uitdrukking komt? Bij Sjir lijkt het een autonome keuze, hij geeft zelf immers aan liever te kiezen voor een waardevolle levensopdracht met een schamel basisinkomen, dan voor een econometristenbaan met een vet salaris. Toch lijkt ook in zijn situatie een belangrijke norm werkzaam te zijn: de norm van wederkerigheid. Maar liefst 352 mensen doneerden gemiddeld 36 euro, waardoor Sjir zich de komende tijd geen zorgen hoeft te maken over brood op de plank. Het geefgedrag van de donateurs werd uitgelokt door de prosociale missie van Sjir. In ruil voor hun giften voelt Sjir zich verder aangemoedigd om zijn missie te realiseren.

Wederkerigheid is dus een belangrijk ontwerpprincipe binnen relaties, inclusief flexibele werkrelaties. Maar pas op, wederkerigheid kent uiteenlopende vormen. Er is directe, transactionele wederkerigheid, bijvoorbeeld die van loon in ruil voor gespecificeerde arbeid. En er is indirecte relationele wederkerigheid. Die van onbaatzuchtige hulp, waarvoor men ooit maar misschien ook wel nooit iets terugkrijgt van de geholpene. Het gecrowdfunde basisinkomen van Sjir is van de laatstgenoemde soort. De donateurs schrijven niet voor hoe Sjir te werk moet gaan, maar vertrouwen erop dat er iets moois van komt.

Onbaatzuchtig geven

Flexibele arbeidsrelaties hebben veel te winnen bij indirecte wederkerigheid als voornaam ontwerpprincipe. Dat klinkt misschien eng,  want je hebt toch zeker geschreven contracten nodig, willen mensen doen wat is afgesproken? Toch is het wel zo slim als opdrachtgevers van flexwerkers ‘onbaatzuchtig geven’, naast of in plaats van gebruikelijke contractafspraken. Concreet zou dat kunnen betekenen dat flexwerkers de ruimte krijgen om werk te doen waarin zij hun behoeften volop kunnen vervullen. Basale behoeften zijn dat mensen een vak willen (leren) beheersen, zelfstandig willen opereren en dat ze een doel willen hebben in werk en leven. Dus, opdrachtgevers: bied leer- en ontwikkelmogelijkheden in en rondom het werk. Schrijf het werk niet voor maar vertrouw erop dat mensen hun taken zelfstandig zullen vervullen. Zorg dat mensen van betekenis kunnen zijn voor anderen of een ‘groter geheel’.  

Het hoeft natuurlijk niet. Als opdrachtgever, inlener of uitlener kun je heus ook veel geld verdienen indien je mensen inzet voor ‘piek en ziek’ en niet meer dan dat. Indien je hun werkzaamheden nauwgezet voorschrijft. En indien je hen opdrachten verstrekt waarvan hen de zin totaal ontgaat. Maar zo langzamerhand wordt duidelijk dat een loutere focus op financiële opbrengsten voor de meeste mensen te armoedig is.

Als u dat ook vindt, denk dan eens goed na hoe u van betekenis kunt zijn voor uw flexwerkers. Hoe slimmer en vrijgeviger u daar werk van maakt, hoe groter de kans dat uw flexwerkers ook van betekenis voor u zullen zijn, misschien wel veel meer dan u ooit had durven dromen!

Aukje Nauta adviseert bedrijven en instellingen over diverse HR-onderwerpen, zoals inzetbaarheid, arbeidsrelaties, conflicthantering, organisatieontwikkeling en sociale innovatie. Ze publiceert, spreekt en doceert regelmatig over deze thema’s. Ze schreef onder meer het boek Tango op de werkvloer, een nieuwe kijk op arbeidsrelaties.

Terug naar het overzicht

Reageer